Zoals ik een paar dagen geleden al schreef, lijkt het me zinvol dat de socioloog zich met ‘Grote Vragen’ bezighoudt. In ieder geval nu iets over ongelijkheid. Over ongelijkheid tussen mannen en vrouwen werd al heel veel geschreven. Ook over verschillen in (top)prestaties tussen mannen en vrouwen.
Toen we enige tijd geleden de opdracht kregen, een presentatie over sport te houden, zijn Anja, Marjolein en ik nagegaan of de verschillen in sportprestaties tussen mannen en vrouwen kleiner zijn geworden. We hadden daar een aantal ideeën over, waarbij centraal stond, dat vrouwen steeds meer kansen krijgen zich te ontplooien en dat steeds meer geaccepteerd wordt dat vrouwen hoge verwachtingen aan hun eigen prestaties stellen. Al met al genoeg reden om te verwachten, dat de sportprestaties van vrouwen in ieder geval dichter bij die van mannen komen te liggen.
Van een groot aantal (individuele, cijfermatig vergelijkbare) sporten hebben we prestaties van mannen en vrouwen vergeleken. In de figuren hieronder zijn er twee van weergegeven. De eerste laat zien welke tijd goed was voor een gouden medaille op de olympische spelen op het onderdeel 100 meter hardlopen. Hoewel de verschillen tussen mannen en vrouwen niet heel erg groot zijn, zie je in de figuur duidelijk dat het verschil tussen mannen (blauwe lijn) en vrouwen (rode lijn) de afgelopen eeuw behoorlijk kleiner is geworden.

De tweede figuur laat zien dat hetzelfde ook geldt wanneer we kijken naar de tijd die nodig was om een gouden medaille te bemachtigen op het onderdeel 100 meter schaatsen. Hier zie je dat het verschil tussen de prestaties van mannen en vrouwen meer dan gehalveerd is!

We weten nu natuurlijk niet of het verhaal van grotere kansen voor vrouwen inderdaad de oorzaak is van deze cijfers, maar we weten wel dat dit verhaal niet onderuit gehaald wordt door de cijfers. Wel zien we hier, dat ontwikkelingen in de sport (waar een sportsocioloog zich mee bezig houdt) waarschijnlijk onlosmakelijk verbonden zijn met grotere ontwikkelingen in de samenleving.