Bijeenkomst programma-commissie Groenlinks
Vandaag ben ik naar Utrecht afgereisd, naar een bijeenkomst van de programmacommissie van Groenlinks. Daar zouden we, na een aantal speeches en plenaire debatten, in werkgroepen bijeen komen om over afgebakende thema’s te praten.
Mijn taak was, als voorzitter van het netwerk chronisch zieken & gehandicapten, om de belangen van deze groep in het voetlicht te plaatsen. Dus was ik te vinden bij een bijeenkomst die als titel ‘Vrijheid en Solidariteit’ droeg.
Vanzelf ging het debat al heel snel over de vraag, hoe de verzorgingsstaat betaalbaar gehouden kan worden. Dit zou namelijk moeilijk kunnen worden door de op komst zijnde vergrijzing. We moesten dus, zo bleek uit de discussie, meer of langer gaan werken. In de discussie die daarover ontstond, kon ik drie bijdragen leveren, maar twee daarvan bleken niet in goede aarde te vallen …
De stelling die wel bijval kreeg, luidde dat we niet alleen naar betaald werk moeten kijken, als we de verzorgingsstaat betaalbaar willen houden. Vrijwilligers en mantelzorgers leveren een bijdrage aan de samenleving, die misschien moeilijk in geld te meten is, maar toch zeer waardevol. Wanneer iemand vanuit een uitkering mantelzorg verleent en vervolgens moet gaan werken, dan moet de zorg voor haar (of zijn) naaste door de professionele zorgverlening overgenomen worden. We vergeten te snel dat dat enorm veel geld kost. Tot zover was men het met me eens.
Mijn andere twee stellingen kregen aanmerkelijk minder bijval. De eerste daarvan had betrekking op de vraag, hoe wel achtergestelde groepen op de arbeidsmarkt een betere positie kunnen bieden. Het gaat hier bijvoorbeeld om chronisch zieken en gehandicapten en allochtonen, maar nog altijd ook om vrouwen.
Mijn netwerk-CG is geen voorstander van een zogenaamd ‘quota’, ofwel de verplichting aan werkgevers om een bepaald percentage mensen uit een achtergestelde groep in dienst te nemen. Je zal toch moeten werken met collega’s die jou als tweede keus beschouwen. Nee, het netwerk-CG kiest ervoor, om chronisch zieken en gehandicapten te versterken door regelingen te ontwerpen, die er toe leiden dat het werkgevers niets extra kost om iemand met ziekte of handicap in dienst te nemen. Dit zijn geen risico’s voor werkgevers, maar risico’s die we als samenleving, collectief, moeten dragen.
Het laatste punt kwam niet helemaal goed uit de verf omdat het aan het einde van het debat pas geopperd werd. De directeur van milieudefensie hield een pleidooi voor de invoering van een maximum-inkomen. Dit natuurlijk als reactie op de met enige regelmaat terugkerende ophef rondom topinkomens. Hoewel de programma-commissie aangaf hier inderdaad mee bezig te zijn, hoop ik van harte dat ze daar van af zien.
Op dit moment krijgen sommige bestuurders in Nederland (en ook daarbuiten) exorbitant hoge salarissen. Natuurlijk is dat niet nodig om je werk te kunnen doen. Zelfs het argument dat met lagere salarissen het talent naar het buitenland vlucht, geldt alleen maar, zolang ook in het buitenland dergelijke beloningen gegeven worden voor geleverd werk.
Mijn probleem met een maximum-inkomen is, dat je je energie beter anders kunt besteden. Hoe gek het ook klinkt: er is bij die mensen weinig te halen. Dit natuurlijk omdat er enorm weinig mensen zijn met dergelijke salarissen. Mijn advies luidde dan ook, om de aandacht te besteden aan de traditioneel linkse ideologie: iedereen moet ten minste een redelijk leven van haar of zijn inkomen kunnen leiden.
Tegen de tijd dat we dat bereikt hebben, kunnen we ons wel eens druk maken om die enorme topinkomens van enkele bestuurders …